Spring naar inhoud

Column 1: Zon

Een paar weken geleden overleed mijn oma. Mijn laatste, wat gezien mijn leeftijd (43) en de hare (94) niet zo gek is. Al drie keer eerder lag ze op het punt van sterven. Aan een longontsteking, aan corona. Ik mocht er zelfs online bij zijn toen ze de ziekenzalving kreeg. Ze prevelde de woorden mee. Maar toen mijn moeder vroeg of ze al naar pa wilde, zei ze ‘nee hoor’. Nu is ze dan toch gegaan.

Hoewel gegaan... ‘gehaald’ past beter bij haar.

Mijn oma was volgend, vertrouwde op de ander. Het was mijn opa die over een sterke eigen wil beschikte, die koppig was, iets vond van dingen, plannen maakte of juist ergens geen zin in had. Mijn opa hield haar uit de wind; hij had twee banen en zij hoefde niet te werken. Hij nam de beslissingen, zij ging daarin mee. Ze was een vrouw van haar tijd; ze had al twee kinderen toen de wet haar in 1956 ook als handelingsbekwaam zag. Het is tekenend dat ze na al die keren dat ze bijna dood was gegaan, nooit iets gezegd heeft over hoe ze haar uitvaart wilde. Dat mochten haar kinderen uitmaken.

Je zou zomaar het beeld kunnen krijgen van een willoze vrouw, stilletjes op de achtergrond, met een schort om in de keuken. Maar dan doen we haar ernstig tekort. Mijn oma beschikte namelijk over een kracht die niet zo sterk lijkt, maar die wel door ongelofelijk veel mensen gewaardeerd werd: ze was vrolijk. Vriendelijk. Aardig. Opgeruimd. Haar gezicht stond altijd lachend. En ze zong. Niet omdat de zon scheen, het was eerder andersom: als ze zong, dan begon de zon te schijnen. Zoals Franciscus zingend door de Umbrische velden liep, zo fietste zij zingend door het Westlandse landschap.

Als je bij mijn oma was, kreeg je het gevoel dat de wereld een fijne plek was. Dat mensen te vertrouwen waren en alles goed zou komen. Niet dat je bij haar zorgen en verdriet vergat; ze ging er gewoon heel opgeruimd mee om. Het was er allemaal wel, maar dat wilde niet zeggen dat je moest gaan zitten sikkeneuren. Van haar aanwezigheid werd je vanzelf vrolijk. Mijn puberige humeur verdween bij haar altijd als sneeuw voor de zon. Het maakte haar een mooie vrouw om te zien. Mijn opa zei niet voor niets dat hij van de tien zussen de ‘blommigste’ had uitgekozen.

Eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik vaak meer op mijn opa lijk. Dat is ook een kant die ik sterk heb ontwikkeld. Je eigen leven vormgeven, een plek innemen in de maatschappij, initiatieven ontplooien; het waren de jaren van de genen van mijn opa. Maar sinds een paar weken voel ik: mijn tweede levenshelft gaat de lievigheid van mijn oma met mij mee. Haar vrolijkheid, haar vriendelijkheid. En haar zingen. Want de ander toeschijnen met de zon in jou, is misschien wel de grootste kracht die we als mens hebben. En je bent nooit te oud om daarmee te beginnen.

Tijdens de uitvaart van mijn oma, op een bewolkte maandagmorgen in januari, las ik bovenstaande tekst voor. En precies bij de zin “als ze zong, dan begon de zon te schijnen” brak de zon door. De stralen vielen zó, door het glas-in-loodraam, op mijn gezicht. Een knipoog om me te laten weten: mijn zon gaat met jou mee. Voor het geval ik daar toch nog aan twijfelde.

Terug naar alle columns

Deze column verscheen in 'Alle goeds', het Franciscaans Maandblad, nummer 1-2022.