Spring naar inhoud

Column 3: Open

Vorig jaar maakte ik in mijn hoofd een lijstje van dingen die ik weer ging doen zodra de corona maatregelen voorbij waren. Dingen waar ik echt naar verlangde. Dit was mijn top 3:

1. Mijn ouders knuffelen, zó lang dat ze zouden zeggen ‘nou, zo kan-ie wel weer’ en dan nog langer;
2. Hardop meezingen met de radio in de supermarkt;
3. Op het schoolplein op mijn jongste wachten, nu het nog kan (want hij zit in groep 8).

En toen was het eindelijk zover: met carnaval mochten alle remmen los! Heerlijk vond ik de knuffels, het zingen, mijn zoon. Maar buiten die top 3 om ging het lastiger. Mijn innerlijke rem ging niet zo gemakkelijk weer van het slot. Tijdens de carnavalsmiddag in ’t Stoofje, de eerste die ik meemaakte, konden we ineens met stoelen schuiven en indikken als er nog iemand bij wilde. Vader Abraham klonk luid uit het boxje en mijn buurvrouw boog zich naar me toe om zich verstaanbaar te maken. Ik kon haar adem ruiken, zien of ze haar tanden die ochtend goed had gepoetst. En ik schrok terug. Niet omdat haar adem stonk, of haar tanden vieze plekken toonden. Maar gewoon, omdat ze zo dichtbij was. Ik wist niet meer hoe dat moest, zo dicht naast iemand zitten.

Een paar weken daarvoor hoorde ik een mooie zin van broeder Roland, in stadsklooster San Damiano in Den Bosch. Hij had ‘m gehoord van een stand up theoloog en die had ‘m weer van een cola reclame: open like never before. Ik vertaalde ‘m naar ‘open mij als nooit tevoren’. En dat was precies wat ik nodig had: als nooit tevoren. Want de afgelopen twee jaar waren jaren als nooit tevoren. Die legere agenda was af en toe best fijn, maar in sociaal opzicht was het kil en schraal. Nu alles weer kon, voelde het onwennig om in elkaars nabijheid te verkeren. Kunnen we elkaar toelaten, durven we dat, en hoe dan? Mij lukte het niet zomaar. Ik had iets anders nodig dan het verlangen dat die top 3 in me aanwakkerde. Iets als nooit tevoren, iets als Franciscus, die zijn armen zo radicaal opende dat zelfs de besmettelijke leprozen er een plek in vonden.

En ineens wist ik het: ik kan met de zin gaan bidden. Want dat ‘mij’ in ‘open mij als nooit tevoren’ verandert de zin van een opdracht in een vraag. Ik mag hulp vragen, elke dag. Hulp bij het openen van mijn hart en mijn handen. Hulp om het lente te laten worden in mij, na die lange, strenge winter. Om opnieuw geboren te mogen worden. En ik vraag het niet alleen voor mezelf; ik vraag het voor ons allemaal. Voor iedereen die wel weer wil, maar niet meer goed weet hoe. Open ons als nooit tevoren. Ik weet niet hoe het met u zit, maar ik begin inmiddels verschil te voelen. Ik voel me transparanter en steviger tegelijk. Kan de ander weer meer binnen laten, zonder daarbij terug te schrikken. En dat vind ik eigenlijk best een radicaal resultaat, voor zo’n reclamezin.

Terug naar alle columns

Deze column verscheen in 'Alle goeds', het Franciscaans Maandblad, nummer 3-2022.