Spring naar inhoud

Column 4: Licht

Het is een lied dat je altijd wel ergens hoort in die laatste sombere dagen voordat de lente echt doorbreekt: “Als alles duister is, ontsteek dan een lichtend vuur dat nooit meer dooft.” Ook bij ‘t Stoofje zingen we het geregeld tijdens onze meditaties. Ik vind het dit jaar nog toepasselijker dan anders. Het zijn duistere tijden. Zet de televisie aan, sla de krant open of check je sociale media kanalen en je wordt ermee overspoeld. Het ene beeld is nog donkerder dan het andere.

Je zou ervoor kunnen kiezen die beelden te mijden en het nieuws buiten te sluiten. Er is immers niemand bij gebaat als wij ons laten laat opslokken, ontregelen, verzwelgen door wat er tweeduizend kilometer van ons vandaan gebeurt. Daar heeft niemand iets aan. Toch wringt dat voor veel mensen. Het is een luxe die wij ons kunnen permitteren, alleen maar omdat wij toevallig in een land in vrede wonen. We willen er graag zijn voor de ander, met compassie, spullen, medeleven en gebed, maar hoe kunnen we dat doen zonder onszelf te verliezen in de heftigheid van alles?

Tijdens een van de meditaties viel me een deel van een antwoord in. Het lichtend vuur dat we aanroepen, is er niet alleen om de duisternis te verlichten van hen in nood. We mogen het ook in onszelf ontsteken en onze harten en handen ermee vullen. Want dat licht, of op zijn minst de hoop op dat licht, stelt ons in staat de ander te ontmoeten in het donker. We kunnen de ander bijstaan in zijn meest kwetsbare momenten, zonder dat het in onszelf helemaal donker wordt. Het is daarmee een tegengestelde beweging van jezelf afsluiten. Maar het is nadrukkelijk óók iets anders dan je laten meeslepen. Je stapt in het donker, bij de ander, mét jouw licht.

Het vergt voor mij herhalende oefening om dat lichtend vuur in mezelf te vinden en brandend te houden. We vragen om een vuur dat nooit meer dooft, maar lijken het te moeten doen met een vlammetje dat bij het eerstvolgende nieuws over bombardementen, mislukte humanitaire corridors of oorlogsmisdaden weer uitwaait. Het wordt ons gegeven, maar we moeten er zelf mee aan het werk. Keer op keer contact maken met dat licht, keer op keer een kaars aansteken en het vuur mee naar binnen nemen. Steeds opnieuw licht worden van binnen. Het is de kracht van de herhaling; tijdens de Paaswake wordt het lied niet voor niets aan één stuk door gezongen.

Die Paaswake gaf me het tweede deel van een antwoord. Want tijdens het zingen in die nacht wordt het licht doorgegeven, in de vorm van een vlam. Van de een naar de ander en naar de volgende, zo brengen we het licht verder en verder. En dat is voor mij een van de wonderen van Pasen en tegelijkertijd een innerlijk houvast in donkere tijden: de komst van een lichtend vuur dat blijft branden en sterker wordt wanneer je het deelt, en deelt, en deelt, en deelt. Met elkaar, dwars door de duisternis heen.

Terug naar alle columns

Deze column verscheen in 'Alle goeds', het Franciscaans Maandblad, nummer 4-2022.